Niet iedereen weet dat veel van ons textiel is behandeld met biociden. En nog minder mensen zijn zich bewust van de specifieke regelgeving die hiervoor geldt. Voor professionals uit de textielbranche is het belangrijk om die regelgeving te kennen. Zij moeten bijvoorbeeld weten welke chemische stoffen zijn toegestaan en wat ze op hun etiket moeten vermelden. Daarom organiseerde het Kennisnetwerk Biociden (KNB) samen met branchevereniging Modint op 8 oktober 2019 een event voor de textielbranche over dit onderwerp: ‘Biociden in textiel: hoe zit dat?’

Zouden we tapijten, leren schoenen of tentdoeken niet behandelen met bestrijdingsmiddelen, dan zouden deze producten binnen korte tijd beschimmeld raken, een nare geur krijgen door bacteriegroei of worden aangevreten door insecten. Er worden chemische middelen, biociden genoemd, gebruikt om dit te voorkomen. Biociden kunnen echter ook risico’s voor onze gezondheid en het milieu geven en die risico’s willen we zoveel mogelijk beperken. Daarom zijn er specifieke regels voor deze zogenaamde ‘behandelde voorwerpen’. Maar hoe ziet die regelgeving er eigenlijk uit? Wanneer noemen we iets een behandeld voorwerp? En wie is er verantwoordelijkheid voor de veiligheid van behandelde voorwerpen? Allemaal vragen die aan de orde kwamen tijdens dit KNB-event.  

Regelgeving voor behandelde voorwerpen en grensgevallen

De presentatie van Jan Willem Andriessen van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) maakt duidelijk wat we onder behandelde voorwerpen verstaan. Wanneer een voorwerp, stof of mengsel behandeld is met een biocide noemen we het een behandeld voorwerp. Er zijn behandelde voorwerpen zónder een biocidale claim, zoals verf die een conserveringsmiddel bevat, zodat de verf zelf in het blik niet gaat schimmelen of een wollen tapijt dat permethrin bevat, zodat het niet snel wordt aangevreten door motten of tapijtkevers. Ook zijn er behandelde voorwerpen mét een biocidale claim, die wijzen op een speciale extra eigenschap van het product. Dit zijn bijvoorbeeld sokken met antibacteriële eigenschappen om geurvorming te voorkomen, of schimmelwerende verf, speciaal voor de badkamer.

bijeenkomst event biociden in textiel

 

Het verschil tussen een biocide en een behandeld voorwerp is niet altijd makkelijk. Heeft een voorwerp of mengsel als primaire functie de biocidale werking, dan is het een biocide. Een toelating van het Ctgb is dan nodig om het product op de Nederlandse markt te brengen. Is de biocidale werking een secundaire functie, dan noemen we het een behandeld voorwerp.  Er is dan geen toelating nodig van het Ctgb om het op de Nederlandse markt te brengen. Tussen biociden en behandelde voorwerpen met een secundaire biocidale claim zijn grensgevallen. Zo wordt een sportbroek met een antibacterieel middel als een behandeld voorwerp gezien, waar een anti-tekenbroek voor de boswachter mogelijk als biocide wordt bestempeld. De anti-tekenwerking kan hier namelijk als de primaire functie worden gezien, terwijl de antibacteriële werking van de sportbroek als secundaire functie wordt beschouwd. De discussie over de status van de anti-tekenbroek is overigens nog niet afgerond. Hiermee wordt het duidelijk dat er een schemergebied is tussen behandelde voorwerpen met een secundaire biocidale claim en biociden.

Voor een behandeld voorwerp (met of zonder biocidale claim) geldt dat de werkzame chemische stof die het bevat moet zijn goedgekeurd of op de Europese lijst moet staan om te worden beoordeeld voor goedkeuring. Breng je een behandeld voorwerp op de Europese markt? Dan heb je de verantwoordelijkheid om te controleren of de werkzame stof is toegestaan (dus goedgekeurd of op de lijst voor beoordeling) in Europa. Voor behandelde voorwerpen zónder claim kunnen er bij de goedkeuring van de werkzame chemische stof etiketteringeisen zijn gesteld. Voor behandelde voorwerpen mét een biocidale claim gelden altijd etiketteringseisen.

Handhavingstraject voor behandelde voorwerpen

Volgens Jabik de Boer van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is het belangrijk altijd naar de eventuele behandeling met biociden te vragen bij de leverancier van een product. Uiteindelijk dienen alle schakels van de handelsketen zich in te zetten om aan de regelgeving voor met biociden behandelde voorwerpen te voldoen. In 2019 is er een EUEuropese unie-breed project van start gegaan, waarin nationale inspecties toezien op de naleving van de regelgeving voor behandelde voorwerpen uit de Biocidenverordening (Biocidal Product Regulation, BPR). In Nederland doen hier de ILT en de NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) aan mee. Uit de praktijk blijkt dat de etikettering nog niet altijd is zoals het hoort: onvolledige of onjuiste informatie, onvoldoende zichtbaarheid of leesbaarheid en onjuist taalgebruik. Omdat elke situatie anders is, zijn er geen vaststaande voorbeelden van goede en foute etikettering. De schakels in de handelsketen moeten zelf zorgen dat ze de regels die voor hen gelden toepassen. Bedrijven zijn vaak welwillend om het goed te doen, maar dit blijkt niet altijd even makkelijk.

Etiketten in de praktijk

Dat de juiste etikettering voor een product niet altijd voor de hand ligt, wordt concreet wanneer Joke Wezenbeek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) een aantal praktijkvoorbeelden van labels van textielproducten toont. Daarbij stelt ze het publiek de volgende vragen: Is het product een behandeld voorwerp? Bevat het een biocidale claim? Voldoet het etiket aan de eisen? Simpele vragen met soms lastige antwoorden, zo blijkt als de discussie hierover los komt. Zo komen er verschillende etiketten voorbij: een etiket waarop de tekst in de verschillende talen verschillende informatie bevat (bv. in het Nederlands ‘antibacterieel’ en in het Engels ‘anti-fungal’) en een etiket met daarop tegenstrijdige beweringen over de mogelijke gezondheidseffecten van het behandelde voorwerp (‘niet irriterend’ én ‘kan huidirritatie veroorzaken’ op één etiket). Er is ook een etiket waarop een anti-insecten en een antimicrobiële werking wordt geclaimd, terwijl de enige genoemde werkzame stof een insecticide is. Daarnaast zijn er gevallen waar er een biocidale claim is, maar het de vraag is of dit echt om met biociden behandelde voorwerpen gaat. Dit gaat onder andere om producten van bamboe: kan dit materiaal zelf als antibacterieel worden beschouwd of is er toch een biocide aan toegevoegd? Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de claim ‘antibacterieel’ op de natuurlijke eigenschappen van het materiaal zelf berust, maar dit kan veranderen als blijkt dat er toch een biocide wordt toegepast. Ook producten met vermoedelijk actief koolstof om geur te remmen zijn  geen behandelde voorwerpen. Actief koolstof remt bacteriën door adsorptie. Het gaat dan niet om een chemische werking en dan dus niet om een biocide. Over een schimmelwerend grondzeil voor een tent ontstaat discussie: is dit van plastic en kan het materiaal wel schimmelen? Hierover blijven de meningen van het publiek verdeeld. Maar er zijn ook etiketten met juiste informatie, waarbij bijvoorbeeld het woord ‘biocide’  en de werkzame stof wordt benoemd met daarbij de mogelijke gezondheidseffecten. Al deze verschillen tussen de etiketten maken één ding duidelijk: het ene etiket is het andere niet.*

Testen

Uwe Borchert, van het testinstituut Veritas, gaat met zijn presentatie terug naar de basis: welke bacteriën, schimmels of insecten bestrijden we nou eigenlijk in die behandelde voorwerpen? En welke stoffen worden hiervoor toegepast? Ook legt hij uit hoe we kunnen testen welke biociden er aan een textielproduct zijn toegevoegd. Veritas heeft ook testlaboratoria in landen als India en China, omdat hier veel textiel wordt geproduceerd en behandeld. Illustraties van verkleurde en beschimmelde textielproducten maken duidelijk wat er gebeurt als je de biociden niet zou toevoegen. Micro-organismen kunnen namelijk voor aantasting zorgen, waardoor een product minder mooi wordt en functies kunnen verliezen, zoals waterdichtheid. Logisch dat we dit proberen te voorkomen. Maar dat moet dan wel op een veilige manier en met de toegestane stoffen.

Levendige discussie

Tijdens het event en de afsluitende discussie wordt duidelijk dat de professionals uit de textielbranche zich de kennis over behandelde voorwerpen graag eigen maken. Met kritische vragen worden de moeilijkheden van de regelgeving blootgelegd. Zo blijkt het in de praktijk lastig om te controleren of het product dat je verhandelt biociden bevat, of om te bepalen wie nu welke verantwoordelijkheid heeft in de handelsketen. Ook komt de ‘overgangsregeling’ voorbij, die er soms voor zorgt dat er verschillen zijn tussen EU-landen, als het gaat om de biociden die wel en niet mogen worden gebruikt om textiel te behandelen. Die verschillen tussen landen zullen op termijn verdwijnen. De oorzaak hiervan is dat het tijd vraagt om alle werkzame stoffen in Europa te beoordelen. Pas na de goedkeuring van de werkzame stof, wordt ook de nationale toelating van de middelen door de verschillende landen geharmoniseerd. Al met al genoeg voor een levendige discussie. Maar één ding is zeker: het bewustzijn in de textielbranche over biociden en behandelde voorwerpen is met dit KNB-event weer een stukje gegroeid.

Modint

Modint is de branchevereniging van de mode-, interieur, tapijt- en textielbranche. Het Kennisnetwerk Biociden dankt Modint hartelijk voor haar gastvrijheid voor dit event. Modint heeft een belangrijke bijdrage geleverd door deelnemers voor deze bijeenkomst te werven, die tot nu toe buiten het kennisnetwerk vielen, maar waarvoor het onderwerp ‘biociden’ zeker van belang is.

* Voor de bespreking van de etiketten geldt een disclaimer: de visie tijdens het KNB-event zoals vastgelegd in dit verslag is niet juridisch bindend.