Op donderdagmiddag 6 oktober 2022 organiseerde het Kennisnetwerk Biociden een event over biociden en arbeidsomstandigheden. Werknemers kunnen in hun werk bewust of onbewust in aanraking komen met biociden. Dit onderwerp leverde een zeer gevarieerd publiek op met deelnemers onder andere vanuit de zorg, de chemische industrie en het beleid. Onder leiding van dagvoorzitter Hans van Dijk werd het een inspirerende middag met interessante presentaties en veel ruimte om met elkaar in gesprek te gaan. 

De toelating van biociden 

In het eerste deel van de middag nam Jan Willem Andriessen ons mee in de rol van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Vervolgens vertelde zijn collega Carina Bos over de manier waarop het Ctgb de risico’s van biociden beoordeelt. Om een risicobeoordeling goed uit te kunnen voeren heeft het Ctgb veel informatie nodig over de samenstelling van een product, maar ook over de wijze waarop het wordt toegepast. Om blootstelling aan een product te beperken kan het Ctgb bijvoorbeeld eisen opnemen over de wijze waarop een product gebruikt mag worden. 

Gebruik van biociden op de werkvloer 

Vervolgens ging Jurgen Mook van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ( SZW Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid)) in op de verplichtingen die werkgevers hebben wanneer er door hun werknemers wordt gewerkt met biociden. Daarnaast vertelde hij over de verplichtingen die een werknemer zelf heeft, wanneer biociden worden toegepast. Jurgen Mook heeft toegezegd om een praktisch document te maken van zijn verhaal. Dit document kan door werkgevers en werknemers gebruikt worden om veilig met biociden te werken. 

Naar aanleiding van de presentaties kwam uit het publiek de vraag hoe je in de praktijk kunt garanderen dat gebruikers zich houden aan de gebruiksvoorschriften en dus niet alsnog aan te hoge concentraties worden blootgesteld. Het Ctgb lichtte naar aanleiding hiervan toe dat de modellen die het Ctgb gebruikt uitgaan van een realistische worst case scenario, dat gebaseerd is op onderzoek naar gebruik in de praktijk. In de modellen zit dus een veiligheidsmarge voor afwijkingen van het normale gebruik, maar het blijft belangrijk dat werknemers de gebruiksvoorschriften opvolgen. SZW zegt hier nog over dat je als werkgever verantwoordelijk bent voor de blootstelling van werknemers. Als werkgever is het dus belangrijk om te zorgen dat gebruiksvoorschriften worden nageleefd. Ook tijdens de voorbereiding van de werkzaamheden waarbij biociden worden gebruikt en bij het opruimen van de gebruikte verpakkingen en het schoonmaken van gebruikte apparatuur moet veilig worden gewerkt. Een medewerker van het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) vertelde dat uit onderzoek blijkt dat er het vaakst iets mis gaat in de voorbereiding en na het gebruik van biociden en andere chemische stoffen.  

Voorbeelden uit de praktijk 

Na de pauze volgden drie presentaties van voorbeelden uit de praktijk waarbij blootstelling plaatsvindt aan biociden tijdens het werk.  

Remko Houba van DPSO Arbozorg vertelde over een situatie waarbij hoge concentraties aan ethyleenoxide in de lucht voorkomen bij bedrijven die grootschalig producten opslaan die met deze stof zijn gedesinfecteerd. Deze situatie kwam bij toeval aan het licht en bleek bij meerdere bedrijven te spelen. De bedrijven hebben maatregelen genomen om de blootstelling terug te dringen, zoals goede ventilatie. Het gesprek met de leveranciers over maatregelen aan de bron (gebruik van lagere dosis ethyleenoxide in het sterilisatieproces) is echter niet eenvoudig omdat zij niet willen inleveren op productkwaliteit. Om zeker te weten dat producten volledig steriel zijn, zijn procedures afgesproken waarvan zij niet kunnen afwijken. Met de zaal werd gediscussieerd of je hier vanuit Nederland iets aan kunt doen, maar dit is vrijwel onmogelijk als de sterilisatie in het buitenland plaatsvindt.  

Babs van Manen van het Amsterdam UMC Universitair Medisch Centrum (Universitair Medisch Centrum) vertelde over de zoektocht naar een balans tussen patiëntveiligheid en medewerkerveiligheid bij het gebruik van handdesinfectie. Het meest effectieve middel voor handdesinfectie, ethanol, kan leiden tot handeczeem en geeft een licht verhoogd risico op borstkanker. De toelatingsprocedure voor alternatieve middelen is echter traag. Ook zijn alternatieve middelen op sommige punten minder effectief. Deze hebben dan een partiële virusclaim. Het is onduidelijk wanneer dit voldoende is. Hopelijk bieden de toekomstige SRI-richtlijnen hierover meer duidelijkheid. Daarnaast bevatten alternatieve middelen nogal eens geur- en kleurstoffen die bijdragen aan handeczeem. De zoektocht naar een lagere blootstelling wordt bemoeilijkt doordat het aantal desinfectiemomenten bij patiëntenzorg streng gereguleerd is door de WHO. Veel mensen in de zaal herkennen zich in het verhaal van het zoeken naar deze balans. 

Tot slot vertelt Paula Swinkels over de Thanatopraxie (balseming)-praktijk die zij en Rens de Peijper hebben. De producten die voor balseming worden gebruikt zijn in Nederland nog niet toegelaten. Hierdoor moeten zij zelf uitzoeken hoe ze de blootstelling van hun medewerkers aan formaldehyde kunnen beperken. In de toelatingsprocedure loopt het bedrijf samen met het Ctgb tegen een aantal obstakels aan die enerzijds te maken hebben met de onbekendheid van de toepassing bij de Ctgb-beoordelaars en anderzijds met het ontbreken van richtsnoeren voor het toelatingsproces van dit soort producten. De toelatingsprocedure loopt inmiddels meer dan 4 jaar. Uit de zaal komt de vraag of je niet beter toepassingen met een minder volledige onderbouwing kan toelaten om te voorkomen dat onveilig gebruik ontstaat. Dit is echter binnen de huidige wetgeving niet mogelijk. 

Afsluiting 

De middag werd afgesloten met een paneldiscussie waarin verdiepende vragen aan alle sprekers gesteld konden worden. De gesprekken werden vervolgens voortgezet tijdens een gezellige borrel.