Schimmels, insecten en andere plaagdieren kunnen grote schade aanrichten aan museumcollecties en monumenten. Toch gebruikt de erfgoedsector steeds minder chemische bestrijdingsmiddelen. Agnes Brokerhof, onderzoeker en adviseur bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zag hoe de sector verschoof van bestrijden naar voorkomen. ‘De beste aanpak begint ruim voordat er een plaag is.’
Wat doet u bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed?
‘Ik werk als onderzoeker en adviseur voor musea, bibliotheken en archieven bij het Rijkserfgoedlaboratorium van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Mijn achtergrond ligt in chemie en kunstgeschiedenis. Die combinatie past goed bij dit werk. We onderzoeken hoe objecten zijn gemaakt, wat materialen in de loop van de tijd doen en hoe we veroudering kunnen vertragen. Op basis van die kennis adviseren we erfgoedinstellingen over behoud, beheer, conservering en restauratie.’
Waarom zijn biociden een onderwerp in uw vakgebied?
‘In collecties hebben we vooral te maken met twee biologische vervalprocessen,’ legt Brokerhof uit. ‘Aantasting door schimmels en aantasting door insecten. Denk aan motten, kevers, houtworm of papiervisjes. Voor een insect kan een object uit een collectie gewoon voedsel zijn. Wol, papier, lijm, hout en leer zijn voor ons erfgoed, maar voor sommige soorten is het een aantrekkelijke voedingsbron.’
Hoe is het gebruik van biociden veranderd?
‘Toen ik in dit vakgebied begon, werden schimmels en insecten nog regelmatig bestreden met chemische middelen of gassen. In dezelfde periode groeide het milieubewustzijn. Internationaal gingen musea werken met Integrated Pest Management, vaak afgekort tot (Integrated Pest Management). Daarbij staat niet het bestrijden centraal, maar het voorkomen van problemen. Je inspecteert, zet nieuwe objecten in quarantaine, monitort met vallen en grijpt pas in als dat nodig is.’ Die omslag is in Nederland goed gelukt, ziet Brokerhof. ‘Musea zijn veel bewuster bezig met preventie en gebruiken veel minder middelen zoals mottenballen, spuitbussen en strips.’
Wat gebruikt de sector in plaats van chemische bestrijding?
‘Voor de conservering van veel collectieobjecten zijn goede niet-chemische of schone alternatieven beschikbaar. Vriezen is een bekende methode. Maar ook warmte, een zuurstofarme omgeving of een behandeling met koolstofdioxide kunnen effectief zijn. Het voordeel is dat je insecten bestrijdt zonder dat er resten van een bestrijdingsmiddel op het object achterblijven. Dat past goed bij erfgoedzorg, want je wilt het originele materiaal zo min mogelijk veranderen.’
Is preventie altijd genoeg?
‘Nee, helaas niet. De ideale situatie is een modern gebouw of depot waar alles wat binnenkomt wordt gecontroleerd en eventueel preventief wordt behandeld. Maar veel erfgoed bevindt zich in oudere gebouwen, vaak zelfs in monumenten. Die hebben kieren, naden en plekken waar insecten makkelijk binnenkomen. Bovendien komen er bezoekers, vrijwilligers en objecten in en uit. Dan kan een plaag toch ontstaan. Voor losse objecten kunnen we vaak goed uit de voeten met niet-chemische methoden. Bij gebouwen is dat lastiger. Een kerk, molen of landhuis kun je niet zomaar invriezen of in een zuurstofarme kamer zetten.’
‘Dat is hoe je met biociden wilt omgaan: niet breed inzetten, maar lokaal, doordacht en alleen als het nodig is.’
Kunt u een voorbeeld geven van zo'n lastige situatie?
‘Ik herinner me een historisch pand waar papiervisjes de lijmlaag van kostbaar behang aantastten,’ vertelt Brokerhof. ‘Op het moment dat je zoiets ontdekt, ben je eigenlijk al voorbij de fase van preventie. De dieren zaten achter een pas gerestaureerde lambrisering. Die wilden we niet opnieuw helemaal uit elkaar halen. Het was ook niet mogelijk om de omgevingsomstandigheden aan te passen. Hoewel papiervisjes moeilijk met pesticiden te bestrijden zijn, en er nog geen alternatieven waren toegelaten, is toen in overleg met een specialist gekozen voor een zeer gerichte behandeling achter de betimmering, uitgevoerd door een professionele bestrijder. Dat is precies hoe je met biociden wilt omgaan: niet breed inzetten, maar lokaal, doordacht en alleen als het nodig is.’
Hoe kiest u welke methode geschikt is?
‘Dat hangt af van het object, het materiaal, de omvang van de aantasting, de beschikbare tijd en het budget,’ aldus Brokerhof. ‘Vriezen is vaak snel, betaalbaar en voor veel objecten veilig. Maar bij objecten met kwetsbare lagen, zoals beschilderde of ingelegde oppervlakken, kan een zuurstofarme behandeling verstandiger zijn. In het CollectieCentrum Nederland gebruiken we vriescellen en laag-zuurstofkamers om objecten preventief te behandelen voordat ze het depot ingaan. Bij gebouwd erfgoed zijn de opties beperkter. Warmte kan soms, maar is technisch ingewikkeld en duur. Dan kom je eerder uit op lokale injecties of, in bijzondere gevallen, een gasbehandeling.’
Hoe zorgt u dat medewerkers en bezoekers veilig blijven?
‘Veiligheid is juist een van de redenen om zo min mogelijk biociden te gebruiken,’ zegt Brokerhof. ‘We hebben nog altijd te maken met restanten DDT, Lindaan en andere biociden die in het verleden als wondermiddel werden gebruikt maar nu een risico voor de medewerkers vormen. Zo’n probleem willen voor de volgende generaties niet vormen. Als chemische middelen of gassen nodig zijn, worden die toegepast door gespecialiseerde en bevoegde bedrijven. Wij blijven wel betrokken, omdat erfgoed een andere aanpak vraagt dan een bedrijfshal of voorraadmagazijn. Ook bij niet-chemische methoden werken we met protocollen en training. Een laag-zuurstofkamer is veilig als je goed ontwerpt, duidelijk instrueert en de procedure volgt.’
Welke rol speelt wet- en regelgeving?
‘Net als andere sectoren moeten wij ons aan de regels houden,’ legt Brokerhof uit. ‘Soms schuurt dat met de praktijk. Een goed voorbeeld is in situ gegenereerde stikstof. Die methode is ontwikkeld als een veilige, schone manier om insecten te bestrijden door zuurstof uit de lucht te filteren. Toch werd deze techniek onder de biocidenregelgeving gebracht. Dat kwam hard aan, want voor collecties is dit juist een van de meest veilige methoden voor mens, milieu en object.’
Hoe kijkt u terug op het Europese traject rond stikstof?
‘Dat was een proces van lange adem. Eerst was er onbegrip en frustratie, daarna vooral strijdlust. Wat we in een paar weken dachten te regelen, werd een traject van meer dan vijf jaar. Uiteindelijk is het gelukt om in situ gegenereerde stikstof op de Annex I-lijst voor laag-risico werkzame stoffen te krijgen. Dat succes kwam door samenwerking met erfgoedorganisaties, overheden en collega’s in andere landen. Belangrijk was dat we autoriteiten niet als tegenstander zagen, maar als medestander. Iedereen had hetzelfde belang: erfgoed beschermen op een manier die schoon en veilig is,’ aldus Brokerhof.
Wat zijn de grootste uitdagingen voor de toekomst?
‘Ik hoop dat de erfgoedsector de lijn naar preventie vasthoudt,’ zegt Brokerhof. ‘Tegelijkertijd veranderen de omstandigheden. Door klimaatverandering kunnen nieuwe soorten opduiken waar we in Nederland weinig ervaring mee hebben, zoals termieten. Daar moeten we op tijd een strategie voor ontwikkelen. Ook kan slimme technologie helpen, bijvoorbeeld bij het monitoren van insectenvallen. Inspectie kost veel tijd, zeker in grote musea. Als dat slimmer kan, helpt dat om problemen eerder te zien. De kern blijft hetzelfde, besluit Brokerhof. ‘Voorkomen, blokkeren en detecteren. Pas daarna komt bestrijden, en dan zo veilig en gericht mogelijk.’