Het Zweedse Chemicaliënagentschap (KEMI) heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de verschillen in werkzaamheid van antifoulingverven. Ook de uitloging van werkzame stoffen uit deze verven is bepaald. Het onderzoek laat zien dat het mogelijk is om in het laboratorium realistische uitloogsnelheden te bepalen in verschillende zoutwaterregio’s. Dit is toepasbaar voor de beoordeling van de werkzaamheid en milieurisico’s van antifoulingverven.
Er zijn drie zoutwaterregio's onderzocht die verschillen in zoutgehalte en temperatuur: de Baltische Zee, de overgangszone van de Baltische Zee richting Noordzee (Kattegat en Skagerrak) en de Atlantische Oceaan.
Beoordelingsmethodiek en doel onderzoek
Antifoulingverven worden volgens de Biocidenverordening (BPR) als biocide beoordeeld en vallen onder productsoort 21. De huidige beoordelingsmethodiek koppelt de waargenomen werkzaamheid van de verf aan de opgegeven biocideconcentratie in de verf. De werkzaamheid moet slechts in één van vier zoutwaterregio's worden aangetoond. In de praktijk bepaalt het gehalte dat uit de verf uitloogt de werkzaamheid. De uitloogsnelheid varieert onder verschillende milieuomstandigheden.
Eén doel van het onderzoek is de methodiek van risicobeoordeling van antifoulingverven te verbeteren en uiteindelijk te komen tot verven met lagere biocidengehaltes. Een ander doel van het onderzoek is het bepalen van de minimaal werkzame concentratie werkzame stof in verven in de verschillende zoutwaterregio's.
Ook voor de milieubeoordeling is de uitloogsnelheid belangrijk. Hiervoor zijn twee gestandaardiseerde methoden beschikbaar: een laboratoriumtest en een rekenmethode. Beide methodes lijken de werkelijke uitloogsnelheid te overschatten. Ook nemen deze methodes de variatie in milieuomstandigheden zoals zoutgehalte en temperatuur niet mee.
Werkwijze
De onderzoekers gebruiken vijf verschillende verfformuleringen met verschillende gehalten (di)koperoxide en een vast gehalte zinkoxide. Uitloogsnelheden van koper en zink werden in het laboratorium bepaald bij drie combinaties van zoutgehalte en temperatuur. De werkzaamheid van de vijf formuleringen werd ook bepaald in veldtesten in de drie zoutwaterregio's.
Conclusie
Het is mogelijk om in het laboratorium realistische uitloogsnelheden te bepalen met een betrouwbare methode die reproduceerbare uitkomsten oplevert. Alle onderzochte regio’s lieten verschillen zien in uitloogsnelheden van koper en zink. Ook de mate waarin aangroei optreedt, verschilt per regio. De onderzoekers bevelen aan om bij de goedkeuring van werkzame stoffen en de toelating van biociden de werkzaamheidsstudie uit te laten voeren in elk van de regio's waar het product wordt toegelaten. Ook doen ze voorstellen om de minimaal werkzame uitloogsnelheid te bepalen. Deze kan worden gebruikt in de werkzaamheids- en milieubeoordeling van antifoulingverven.
Meer informatie
Download het rapport: Basis for method development of product evaluation of antifouling paints - Minimum biocide content for efficient antifouling paints.