De NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) wil onderzoeken welke resten van biociden er achterblijven in vlees- en zuivelproducten. Daarom ontwikkelde het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) een methode om te bepalen welke stoffen het beste als eerste kunnen worden gemeten. Het RIVM adviseert om bij de normen voor resten in voedingsmiddelen rekening te gaan houden met de toepassing van biociden.
Het onderzoek richtte zich op alle werkzame stoffen in productsoorten (Product Types; PT’s) van biociden die in vlees- en zuivelproducten terecht kunnen komen. Het gaat dan om desinfectiemiddelen (PT03, PT04 en PT05), rodenticiden (PT14), insecticiden (PT18) en afweer- en lokstoffen (PT19). Er is niet alleen gekeken naar de werkzame stoffen zelf, maar ook naar afbraakproducten zoals chloraat en naar desinfectiebijproducten.
Prioriteren van te meten stoffen
De NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) meet nu een klein aantal stoffen uit biociden, vooral in onbewerkte producten als rauw vlees en melk. Er worden veel verschillende stoffen gebruikt. Daarom heeft het RIVM een methode ontwikkeld om te bepalen welke het beste als eerste kunnen worden gemeten. De methode gebruikt informatie over alle stoffen uit biociden die kúnnen achterblijven in vlees- en zuivelproducten. Het RIVM keek naar waar biociden voor worden gebruikt en naar wat er bekend is over metingen in vlees- en zuivelproducten. Maar ook naar de gezondheidseffecten en of er al normen zijn voor resten in vlees- en/of zuivelproducten.
Het RIVM beveelt aan om ook in bewerkte of samengestelde voedingsmiddelen te meten. Bij de verwerking van rauwe producten tot voedingsmiddelen worden namelijk biociden gebruikt. Bijvoorbeeld om machines te ontsmetten.
Maximale residulimieten voor biociden
Het RIVM vindt het belangrijk om te bepalen hoeveel resten van een werkzame stof maximaal in voedingsmiddelen terecht mogen komen. De daarvoor geldende normen heten maximale residulimieten (MRL’s). Voor sommige werkzame stoffen uit biociden bestaan deze normen nog niet. Voor andere stoffen wel, omdat ze ook worden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen of in diergeneesmiddelen. Alleen is er bij deze MRL’s nog geen rekening mee gehouden dat mogelijke resten van biociden ook in voedingsmiddelen kunnen terechtkomen. Dat moet er dus nog in worden verwerkt.
Het is nog niet duidelijk hoe dat in bestaande en nieuwe MRL’s moet worden gedaan. Voor gewasbeschermingsmiddelen en diergeneesmiddelen geldt namelijk een verschillende werkwijze om een MRL te bepalen. Voor biociden is zo’n werkwijze er nog niet. Ook liggen de rollen en samenwerkingsverbanden nog niet vast voor de verschillende Europese wetgevingsinstanties die daar voor nodig zijn. Het RIVM adviseert om hierover duidelijkheid te krijgen.
Meer informatie
Zie het RIVM-rapport: Maximum Residue Limits (MRLs) for biocides in meat and dairy products. Prioritisation of substances to be monitored | RIVM