‘Biociden in oppervlaktewater’, dat was het thema van het (Kennisnetwerk Biociden)-event op 4 juni jl. in congrescentrum Antropia in Driebergen. Maar eigenlijk ging het over monitoren. Het monitoren van werkzame stoffen uit biociden in oppervlaktewater. Want de oorsprong van dat ene stofje, kan bepalend zijn voor hoe we er mee om (moeten) gaan. We blikken terug op een leerzame middag.

Waterkwaliteit onder druk

Dagvoorzitter Anton Rietveld verwelkomt een zaal professionals die nog even geactiveerd moeten worden. Dat komt later goed, zal blijken. In de zaal zijn waterkwaliteitsbeheerders goed vertegenwoordigd met meer dan een derde van het aantal bezoekers. Consultants en bedrijfsleven samen zijn goed voor een kwart, evenals vertegenwoordigers van de overheid.

Fons Röttgering (UvW) neemt als eerste spreker het woord op het plenaire podium. De Unie van Waterschappen is de belangenbehartiger van de waterschappen in Nederland. ‘En richting Brussel’, aldus Röttgering. De UvW houdt zich bezig met de waterkwaliteit. En die staat onder druk. Steeds vaker zien ze in het oppervlaktewater stoffen die al lang verboden zijn in gewasbeschermingsmiddelen, maar niet in biociden. Wat de belangrijkste oorzaak is, is lastig te zeggen, volgens Röttgering. De belasting van oppervlaktewater met andere biociden gaat via veel verschilende toepassigen: ‘antifouling, sportvelden, koeltorens; allemaal draagt het bij aan de hoeveelheid biociden in het water.’ Ook consumenten hebben een rol. ‘Al zijn die zich niet altijd bewust van hun eigen gebruik,’ denkt Röttgering.

Röttgering doet een oproep aan de zaal. Alle partijen in het veld zijn nodig om biociden in oppervlaktewater terug te dringen. In de zaal wordt instemmend geknikt.

Landelijk ingrijpen niet altijd mogelijk

Nasrin Rezai en Niek Overgaauw nemen daarna namens het ministerie van (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) het woord. Ook Overgaauw benadrukt het belang van monitoring. De stof deltamethrin komt voorbij als voorbeeld, niet de laatste keer deze middag. Het zit in mierenlokdoosjes, maar ook in anti-bladluismiddelen en in vlooienbanden, elk met een eigen emissieroute, die moeilijk in kaart te brengen is.  

Rezai vertelt over een pilot voor het maken van een afzetregister van biociden. Doel was om een beter beeld te krijgen van de omvang van de afzetmarkt van biociden in Nederland. De data zijn binnen, binnenkort volgt een presentatie over de uitkomsten.

Beide sprekers besluiten hun verhaal met de boodschap dat het ministerie niet direct kan ingrijpen, doordat er zo weinig bekend is. Vaak is er sprake van lokale problematiek. Pas bij structurele, landelijke normoverschrijdingen kan het ministerie iets doen, aldus de twee.

Dat is het moment dat de zaal los begint te komen. Er worden kritische vragen gesteld, maar ook tips gedeeld; meer voorlichting voor consumenten bijvoorbeeld. Want die zijn zich niet altijd bewust van hun biocidegebruik, of halen juist bewust wel middelen uit het buitenland. Rezai en Overgaauw horen het aan, maar kunnen geen beloftes doen.

Deep dive risicobeoordeling

Daarna verzorgen Maarten Klunder (Ctgb) en Melvin Faber (RIVM) een soort deep dive in de risicobeoordeling bij toelating van biociden. Beide mannen benoemen ook weer de verschillende emissieroutes. Klunder laat de zaal zien hoe je emissies berekent en hoe je het verwachte effect op het ecosysteem kunt berekenen. En hoe deze werkwijze verschilt tussen de beoordeling van biociden en de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen. Faber legt uit hoe milieueffecten worden meegewogen bij de beoordeling van (dier)geneesmiddelen.  

Tot slot staan ze stil bij de Bestrijdingsmiddelen-atlas. Een veelbelovend systeem, maar zeker nog niet toegesneden op biociden, geeft Klunder toe. Voor een optimaal werkend systeem kijkt hij naar de (Europese unie). Daar zou geregeld moeten worden dat monitoringsgegevens van biociden, mits deze er komen, in de beoordeling kunnen worden meegenomen.

Drie subsessies

Het tweede deel van de middag bestond uit drie deelsessies.  

Harry Polman (H2O-biofouling solutions) vertelt vanuit zijn ervaring over het controleren van biofouling in industriële koelsystemen, specifiek bij doorstroomsystemen. En over de daarbij horende lozingen naar het ontvangende water. Hij laat foto’s zien van brandschone pijpen en pijpen vol waterleven. ‘Binnen één minuut hebben bacteriën zich aan de wanden gehecht,’ doceert Polman. ‘En binnen twee tot drie weken kunnen de larven van mosselen aanwezig zijn.’ Aangroei van mosselen in leidingen verhoogt de wandruwheid/ waterdruk, wat niet goed is voor het systeem en kan leiden tot productieverlies. Om de aangroei te voorkomen, kun je biociden inzetten. Volgens Polman hoeft dat helemaal niet het hele jaar door. Door goed te weten wat voor fouling-organismen in het water leven dat je gebruikt, in welk seizoen deze organismen actief zijn, en hoe je het koelsysteem ontwerpt, kun je heel gericht doseren en gebruik je veel minder biociden. Goed voor de kosten én het milieu. Het sleutelwoord ook hier weer: monitoren!

Koen Wit (RWS) gaat na het verhaal van Polman aan de slag met de mensen in de zaal. Op iedere tafel verschijnen grote vellen papier met prikkelende vragen. Die blijven nog wat leeg, maar de gesprekken zijn er niet minder om. Kennisuitwisseling in optima forma.

In een andere deelsessie vertellen Sanne Jansen en Aniek Ivens van Milieu Centraal over hun onderzoek naar consumentengedrag en de emissies van biociden vanuit consumentenproducten. Het onderzoek van Milieu Centraal laat zien dat consumenten veel en snel biociden gebruiken bij overlast  en daarbij niet altijd de gebruiksaanwijzing lezen of volgen. Particulier gebruik kan daardoor leiden tot emissies van stoffen naar het milieu.

De presentatie van Milieu Centraal eindigt in een aantal stellingen over het terugdringen van emissies uit consumentengebruik. De deelnemers mogen aangeven of ze het met deze stellingen eens zijn of niet. Veel van de stellingen krijgen zowel stemmen voor als stemmen tegen. Er volgt dan ook een levendige discussie over elk van de stellingen.

In de derde deelsessie worden de deelnemers uitgedaagd om hun kennis en ideeën over monitoring van biociden in oppervlaktewater te delen. Onder leiding van Els Smit (RIVM) geven vier sprekers een korte aftrap voor de discussie. Joost Lahr (RIVM) deelt zijn inzichten over waarom meten van biociden van belang is. Carli Aulich (waterschap Noorderzijlvest) neemt de deelnemers mee in haar ervaringen over wat en waar je zou kunnen/ moeten meten. Erwin Roex (KWR) vertelt over de uitdagingen van hoe te meten en het bereiken van voldoende lage detectiegrenzen en tot slot deelt Andre Bannink (RIWA) zijn inzichten in bronnen van verontreiniging met biociden.

De sessie leverde veel ideeën op. Ook kwam er een oproep voor een landelijke samenwerking. Door projecten af te stemmen en het werk te verdelen, maken we optimaal gebruik van elkaars kennis en mogelijkheden. Het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) neemt deze oproep en de andere ideeën mee bij hun onderzoek naar een meetnet voor biociden in oppervlaktewater.