Mieren, termieten, tijgermuggen… Bij een nieuwe plaag is de eerste reactie vaak: gif! Maar is dat wel een goede strategie? Het is een vraag die vaak gesteld wordt tijdens het event van het Kennisnetwerk Biociden op woensdag 8 oktober, dat dit keer als onderwerp de beheersing van nieuwe insectenplagen heeft. Een verslag van een leerzame middag.

Corine Komen, coördinator van het Kennisnetwerk Biociden (KNB), heet de deelnemers welkom en vertelt wat het KNB Kennisnetwerk Biociden (Kennisnetwerk Biociden ) inhoudt en doet. Daarna neemt Ashis Brahma als dagvoorzitter het woord. Hij heeft bij de sprekers geïnformeerd wat het verschil is tussen een mier en een termiet: ‘een mier is een wesp en een termiet is een kakkerlak.’

Wat opvalt: veel deelnemers kennen elkaar. Van eerdere bijeenkomsten van het KNB of andere bijeenkomsten. ‘Het is wat dat betreft een kleine wereld,’ geeft Jan Willem Andriessen van de Nederlandse toelatingsautoriteit voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) aan.

Op de hoogte blijven van nieuws over biociden en aankomende bijeenkomsten van het Kennisnetwerk Biociden? 

Meld u dan aan voor de Nieuwsbrief KNB.

Wie is er eigenlijk verantwoordelijk voor een plaag?

De eerste spreker van de middag is Lisette de Hoop van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). ‘Wat maakt een plaag een plaag?’ vraagt ze de zaal. Dat ligt aan het diertje en de overlast die het geeft, geeft De Hoop aan. En dat zijn belangrijke factoren. Want daarmee valt de aanpak van een plaag zomaar in verschillende beleidshokjes, onder verschillende departementen. Een quarantaine organisme valt bijvoorbeeld onder de plantgezondheidswet, terwijl een vector (een insect dat een ziekte over kan brengen) onder volksgezondheid valt. In beide gevallen heeft de NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ) de bevoegdheid tot ingrijpen. Invasieve exoten vallen dan weer onder de EU Europese unie (Europese unie)-exotenverordening, waarbij het gaat om effecten op de natuur. Exoten moeten van buiten Nederland afkomstig zijn en schadelijk zijn voor de natuur om invasief genoemd te worden. Alleen invasieve exoten die niet inheems zijn in de Europese Unie, kunnen op de Europese Unielijst worden geplaatst.  De provincies zijn verantwoordelijk voor de soorten op deze lijst.  

Deze verschillen zorgen ervoor dat de NVWA soms beperkt is in haar rol in de aanpak van plagen. Sommige plaagsoorten vallen in geen enkel beleidshokje. Het leidt tot wat geroezemoes in de zaal, want wie is er dan uiteindelijk verantwoordelijk? ‘Dat verschilt per plaaginsect,’ is het korte antwoord van De Hoop, die daarmee gelijk de oproep doet aan gemeenten, beheerders, en bestrijders om met elkaar in gesprek te blijven.

Kennis delen als sleutel tot duurzame plaagbestrijding

De boodschap van de tweede spreker, Jan Willem Andriessen van de Ctgb College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden ), ligt in dat verlengde. Ook hij roept partijen uit de sector op om elkaar op te zoeken en kennis te delen. Maar ook Andriessen weet: de wereld van biociden is zo divers dat het niet eenvoudig is alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. ‘Terwijl kennis over het organisme bepalend is voor het kiezen van de juiste aanpak van plaagbestrijding’, aldus Andriessen. De inzet van biociden is een snelle en vaak effectieve oplossing, maar niet erg duurzaam. ‘Het is symptoombestrijding.’ Daarom hamert hij zo op kennisuitwisseling. Want als je begrijpt met wat voor plaagdier je te maken hebt, kun je ook voor andere maatregelen kiezen.

Verder staat Andriessen stil bij het proces van de vrijstelling, om een nog niet voor de te bestrijden plaagsoort toegelaten biocide toch in te mogen zetten. Ctgb en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) stemmen daarvoor met elkaar af. ‘Maar wat als niemand een biocide op de markt wil brengen?’ vraagt iemand uit het publiek. Andriessen heeft het antwoord ook niet. Mogelijk is een nationaal fonds een oplossing.

Eén plaag, vier ministeries: zoeken naar gemeenschappelijke grond

Bea van Golen is coördinator overlastgevende soorten. Ze coördineert de samenwerking tussen de ministeries van IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ), LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ), VRO en VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Want een plaag kan onder de verantwoordelijkheid van al deze ministeries vallen. IenW gaat over het juist gebruik van biociden, LVVN over de bestrijding invasieve exoten op de Unielijst, VWS is verantwoordelijk voor volksgezondheid, en VRO voor gezonde en veilige bouw. ‘Al deze perspectieven bij elkaar brengen is niet eenvoudig,’ geeft Van Golen toe.

Als voorbeeld heeft ze de Invasiecurve en IPM Integrated Pest Management (Integrated Pest Management ) aanpak langs elkaar gelegd, waarbij opvalt dat bijvoorbeeld preventie in de invasiecurve vooral gericht is op het voorkomen van introductie van een plaagsoort. Bij IPM gaat het bij preventie om maatregelen die ervoor zorgen dat een plaagsoort geen overlast kan veroorzaken. Het blijkt dat verschillende disciplines elkaars taal nog niet goed spreken.

Omdat de aanpak en verantwoordelijkheden per plaagsoort verschillen zet Van Golen per plaagsoort een werkgroep op. Toch is er ook gemeenschappelijke grond: ‘Professionaliteit voorop, niet de gifspuit!’

Workshops

Aanpak van de tijgermug

Arjan Stroo van het Centrum Monitoring Vectoren van de NVWA neemt de zaal mee in de aanpak van de Aziatische tijgermug in Nederland. Marieta Braks van het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu ) valt hem regelmatig bij. In 2005 is de Aziatische tijgermug voor het eerst in Nederland gesignaleerd - waarschijnlijk binnengekomen via 'Lucky Bamboo' plantjes. Anno 2025 wordt het kleine beestje helaas veel vaker gezien. Deze muggen kunnen virussen overbrengen die ziektes veroorzaken als chikungunya, dengue en zikakoorts. Dankzij adequate samenwerking en aanpak van VWS, de NVWA en het RIVM is de plaag beperkt gebleven tot incidenten, al worden dat er wel steeds meer.  

De vraag is hoe houdbaar dat is, nu de Aziatische tijgermug in Zuid-Europa steeds meer voorkomt, en door menselijke beweging over het continent wordt verspreid. De NVWA kan regels opleggen aan bedrijven, om te voorkomen dat producten onbedoeld eitjes of larven bevatten. Voor particulieren is dat een ander verhaal. Stroo wijst vooral op het handelingsperspectief voor de burger, zoals het omkieperen van potjes en bakjes in tuinen – de tijgermug legt het liefst eitjes in kleine plassen water.  

In Italië gaat dat (inmiddels) anders. Daar worden burgers aangemoedigd om chemische middelen te gebruiken. Stroo is daar geen voorstander van. Ook de zaal ziet veel meer heil in goede voorlichting van het publiek. Maar men verzucht ook dat burgers gewoon ‘troep kunnen kopen op buitenlandse websites.’ Een kant-en-klare oplossing is er nog niet.  

De aansluitende discussie in groepjes richt zich ook vooral op voorlichting aan burgers en reizigers. Betrokken burgers zouden beloond kunnen worden. Monitoring zou moeten plaatsvinden door burgers en experts, zowel passief als actief.

Donderse Draaigatjes

Mierexpert Jitte Groothuis heeft een onverbloemde passie voor mieren – hij draagt zelfs een trui met een levensgrote mier erop. Toch is het mediterraan draaigatje een groot probleem in Nederland, geeft hij toe. Het kleine miertje verdrijft steeds vaker inheemse soorten, zorgt voor overlast zowel binnen als buitenshuis, en in sommige gevallen voor gevaarlijke situaties door verzakkende tegels.  

De mieren komen onder andere binnen via planten uit het buitenland. Groothuis pleit voor preventiemaatregelen, maar regie ontbreekt. Onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor de bestrijding, ook qua kosten. Die zijn vaak hoog, zeker als er bestrating moet worden weggehaald. Voor kolonies met inpandige nesten is vaak geen doeltreffende ‘sluitsteen’ beschikbaar, bijvoorbeeld in de vorm van een lokaas met een toelating voor deze doelsoort.

Het mediterraan draaigatje is niet de enige ‘nieuwe’ mierensoort die overlast veroorzaakt. Anna Möller van het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) gaat in op de problematiek van de rode schorpioenmier. Maar ook de plaagmier, de Argentijnse mier, dikkoppen, dwergschubmieren, vuurmieren en andere schorpioenmieren kunnen problemen geven. Ze wijst op het rapport ‘Risicoscan van exotische mieren in Nederland’.  

Wanneer de zaal met elkaar in gesprek gaat over mogelijk oplossingen klinkt vooral verbazing over geringe preventie bij bedrijven. ‘Op Schiphol wordt ieder plantje gecontroleerd, en tegelijkertijd komen planten via scheeps- en treinladingen binnen die niet gecontroleerd worden.’ Ook gebrek aan regie door ministeries en gebrek aan samenwerking tussen gemeenten en provincies is een veel besproken onderwerp. 'Iedereen moet zelf op zoek naar kennis en informatie en dat is niet efficiënt.'

Termieten

René Hetterscheid van Anticimex vertelt hoe termieten in Nederland terecht zijn gekomen. De verspreiding van het diertje door Nederland is maar beperkt bekend, want een kolonie wordt vaak pas na jaren opgemerkt. Anticimex heeft samen met het KAD Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (Kennis- en Adviescentrum Dierplagen) en met de ervaring van hun Spaanse collega’s een pilot opgezet om een grote kolonie in Nederland aan te pakken. Bestrijding is ingericht op het natuurlijke gedrag van de termieten. Het ingezette biocide zorgt dat werksters niet meer kunnen vervellen. Doordat de werksters uitsterven, sterft uiteindelijk de hele kolonie uit.

De pilot van Anticimex is succesvol: de kolonie was in 9 maanden met 60% in grootte verminderd en is inmiddels vermoedelijk helemaal geëlimineerd. De data worden gedeeld met het KAD. Er is overgegaan op monitoring. De pilot wordt uitgevoerd met een middel waarvoor een tijdelijke vrijstelling is afgegeven. Deze vrijstelling is 7 oktober 2025 verlengd, maar dit is de laatste verlenging die mogelijk is. De vraag is hoe bestrijding verder moet gebeuren, nadat de vrijstelling verlopen is.

Het doel van de pilot is niet alleen het elimineren van de kolonie, maar ook informatie te verzamelen over de verspreiding van termieten in het Nederlandse klimaat.  

In de workshop werd door de deelnemers druk gediscussieerd over oplossingsrichtingen en er werd gepraat over knelpunten. Zoals: de beschikbaarheid van middelen, samenwerken, kennisuitwisseling in de keten en het ontsluiten van informatie. De deelnemers dragen oplossingen aan als een overheidsgestuurd kenniscentrum, hulp voor tuincentra, een kennisnetwerk zoals er is voor Invasieve Exoten, opname in soortenherkennnings-apps en ‘Postbus 51’- spotjes. Voor de beschikbaarheid van middelen is een groot probleem dat commerciële partijen niet geïnteresseerd zijn in het aanvragen van een toelating voor een biocide, als de markt nog te klein is.

Afsluiting

Tot slot bedankt Ashis Brahma de aanwezigen voor hun enthousiaste inbreng en betrokkenheid. Deze bijeenkomst bracht verschillende ‘werelden’ samen en dat is heel belangrijk voor de aanpak van dit soort complexe problemen.