Het kind en het badwater

Op 1 april 2019 – nee, het is geen grap – ben ik na ruim 10 jaar teruggetreden als coördinator van het Platform Biociden. Voor wie het nog niet weet: het Platform bundelt de gemeenschappelijke belangen van leveranciers (producenten, importeurs, distributeurs, retail) en gebruikers van biociden. Ik laat dan 4 decennia (!) bemoeienis met regelgeving en beleid omtrent biociden achter me. De eerste 20 jaar bestond het begrip “biociden” nog helemaal niet. Toen hadden we het in Nederland over lid 2-middelen of over niet-landbouwbestrijdingsmiddelen. Niet erg verhelderend. De term “biociden” wordt pas gehanteerd sinds de Europese Biocidenrichtlijn van kracht is. Achteraf moet worden geconstateerd, dat voor niet-insiders eigenlijk nog steeds niet duidelijk is over welke producten we het dan hebben. En dat, terwijl diezelfde niet-insiders vaak zèlf biociden toepassen of het heel vanzelfsprekend vinden, dat ze door professionals worden ingezet om schade of overlast tegen te gaan. We vinden het immers allemaal de gewoonste zaak van de wereld, dat we in schoon water kunnen zwemmen, dat we in winkels geen ongedierte aantreffen, dat hout ( bijv. in monumenten) lang mee gaat, dat we geen infecties oplopen in ziekenhuizen, dat verf in blik niet gaat schimmelen, dat een uitbraak van legionella wordt voorkomen en er geen slachtoffers vallen, zoals 20 jaar geleden in Bovenkarspel. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Ondanks het bewezen maatschappelijk nut van deze middelen en ondanks het feit dat deze middelen al tientallen jaren onder een wettelijk regime (en aanpalend beleid) vallen, dat er op toeziet dat alleen biociden op de markt worden gebracht die veilig zijn voor mens, dier en milieu, kunnen biociden zich niet verheugen op een warm onthaal van de samenleving. Overigens ook niet op de warme belangstelling van het ministerie van VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Dit ministerie, waaruit niet alleen bezorgdheid, maar ook het nut van biociden voor de bescherming van de volksgezondheid zou moeten klinken, is al jaren nauwelijks hoor- en zichtbaar als het om biociden gaat.

Risico’s en duurzaam gebruik

Dat gezegd zijnde heb ik ervaren hoe het regelgevende net rond biociden steeds nauwer wordt aangetrokken, alle mooie uitingen van het tegendeel ten spijt. Werd in het verleden gekeken of er sprake was van onaanvaardbare risico’s van een middel, zo kijkt men vandaag de dag naar de gevaren van zowel de werkzame als de niet-werkzame bestanddelen. Een stof kan intrinsiek inderdaad gevaarlijk zijn, maar waarom zou je dat middel verbieden als mens, dier en milieu – mede door de inspanningen van de sector om duurzaam gebruik te bevorderen - niet of nauwelijks aan die stof worden blootgesteld?

Een andere ontwikkeling die me in de loop der jaren is opgevallen is hoe makkelijk soms alternatieve middelen (en methoden) worden omarmd, zonder dat er voldoende ervaring mee is opgedaan. En zonder oog voor de soms negatieve gevolgen van de grootschalige toepassing van zo’n alternatief. Soms vergt zo’n alternatief de inzet van andere biociden, die misschien wel schadelijker zijn dan het middel dat moet worden vervangen. Laten we er voor waken het kind niet met het badwater weg te gooien!

Maatregelen

Politici en beleidsmakers hebben alle hoop gevestigd op innovatie. En terecht. Tegelijkertijd echter worden allerlei maatregelen getroffen respectievelijk uitspraken gedaan gericht op het terugdringen van (het gebruik van) biociden. Als preventieve maatregelen, niet-chemische middelen en laagrisico middelen de klus niet kunnen klaren, dan mag in het uiterste geval een beroep worden gedaan op chemische biociden. In feite zitten chemische middelen bij het streven naar verduurzaming op de reservebank (alleen in te zetten als al het andere faalt).

“Minder, minder” is, naar mijn inschatting, niet bepaald een sentiment dat het bedrijfsleven uitnodigt tot investeren (in innovatie). Voor innovatie heeft het bedrijfsleven behoefte aan rechtszekerheid en voorspelbaarheid. Het stapelen van worst case op worst case bij de beoordeling werkt averechts: dossiereisen nemen toe, terwijl door ingezet beleid de afzet afneemt.

Meer in het algemeen durf ik te stellen, dat de huidige ( EU Europese unie (Europese unie)) regelgeving innovatie tegenhoudt doordat de registratiekosten erg hoog zijn, zeker wanneer men die afzet tegen de lange terugverdientijd en de onzekerheid of het innovatieve product überhaupt wordt goedgekeurd/toegelaten.

Bovenstaande “signalen” zie ik bevestigd in een onderzoek, dat EBPF (de Europese koepel van de biociden bedrijven) een aantal jaren terug bij haar achterban heeft uitgevoerd naar de impact van de Biocidenverordening op het beschikbare middelenpakket en op innovatie. Uit dit onderzoek komt naar voren, dat onder invloed van de hoge registratiekosten meer dan een kwart van de middelen, die thans op de markt zijn, van de markt zal verdwijnen. Verder zou het toch een teken aan de wand moeten zijn, dat dit millennium er slechts 10 nieuwe werkzame stoffen voor biociden zijn ontwikkeld.

Uitdagingen

Alhoewel een geboren optimist zie ik de komende jaren nog heel wat “uitdagingen” voor de sector. Ik noem er enkele in willekeurige volgorde: de toenemende invloed van de politiek op de besluitvorming over de toelaatbaarheid van biociden (waarbij voorkomen moet worden, dat de onderbuik het wint van het brein), het tekort aan laboratoriumcapaciteit (waardoor dossiers niet op tijd gereed zijn), de vertraging bij de uitvoering van het  EU Werkprogramma (beoordeling van bestaande werkzame stoffen), toename van het gebruik van illegale middelen door een gebrek aan handhaving (o.a. op de internethandel), de verdere verschraling van het beschikbare middelenpakket als gevolg van een strikte gevaarbenadering (met als bijkomend effect het risico van resistentievorming).

Tot zo ver een aantal observaties van een “grey old man”, die met veel plezier terugkijkt op zijn jaren aan het biociden front. Hopelijk bieden deze observaties de leden van het Kennisnetwerk ook wat “food for thought”. Met het volste vertrouwen draag ik thans het stokje van het Platform over aan Jan Verschoor, die – hem kennende - ongetwijfeld binnenkort van zich zal laten horen binnen het Kennisnetwerk.

 

Frank E. Hes